DE KOELKAST LEEGDRINKEN
over Sylvia Hubers
Ik kom naar huis/en ik drink de koelkast leeg. Zo begint het gedicht ‘Ik kom naar huis’ van Sylvia Hubers. Klinkt gezellig. Ik stel me een vrijdagmiddag voor, zo rond een uur of vijf. Het tijdstip dat dames en heren uit het zakenleven een nabijgelegen café frequenteren om de afgelopen week door te nemen. Om elkaar vervolgens in lichtelijk aangeschoten staat een ietsiepietsie frivoler te bejegenen, met een ondeugende tik op een in strakke rok gehulde damesderrière als resultaat. Zo niet de dichteres. Zij gaat naar huis.
Sylvia Hubers (Sassenheim, 1965) is stadsdichter van Haarlem. In 2003 verscheen haar bundel ‘Men zegt liefde’, in 2005 gevolgd door ‘Terug naar de apotheker’. Hubers had talloze baantjes, zoals zoveel dichters naast het schrijven van poëzie de kost verdienen met een al dan niet gewenste betrekking. Slauerhoff was scheepsarts, Bloem was griffier bij de rechtbank en Vasalis was kinderpsychiater. Sylvia Hubers werkte onder meer in een winkel met feestartikelen. Het werd geen succes. Precies op het moment dat de in brede kringen gewaardeerde dichteres in een donker gat dreigde te verdwijnen werd zij in februari 2009 gekozen tot stadsdichter van Haarlem. Prompt meldde zich daarna Mai Spijkers, directeur van uitgeverij Prometheus/Bert Bakker, met de vraag of zij haar nieuwe bundel bij zijn fonds wilde uitgeven. Aldus geschiedde. Maar niet nadat ook in haar persoonlijke leven een omwenteling had plaatsgevonden. De dichteres trad in het huwelijk met haar geliefde, de columnist en docent Engels Marius Jaspers. Als klap op de vuurpijl werd op 14 november Hubers nieuwe bundel ‘Vandaar dit huwelijksleven’ bij Athenaeum Boekhandel te Haarlem gepresenteerd.
Ik ben een reiziger/te bang om te reizen/vandaar/ dit huwelijksleven’, valt te lezen op de achterflap. Net als in haar twee vorige bundels bevat ‘Vandaar dit huwelijksleven’ verzen in licht-absurdistische stijl, soms vervat in een prozagedicht. Ook de hit ‘Het kleed in de gang’ (prozagedicht) staat er in. Bij popgroepen spreek je over een hit als een lied een grote mate van populariteit weet te vergaren. Met het gedicht ‘Het kleed in de gang’ heeft Hubers haar populariteit tijdens optredens vergroot, sterker nog, het wordt soms als verzoeknummer aangevraagd door het luisterend publiek.
Op pagina 41 vinden we ‘Ik kom naar huis’.
Ik kom naar huis
en ik drink de koelkast leeg.
Dan ga ik naar het feestje
en daar drink ik
de koelkast leeg.
Dan ga ik naar de nachtwinkel.
Ik maak ze los.
Aan het einde van de nacht
wanneer de ochtend weer begint
(de almaar terugkerende ochtend)
neem ik uit het spaanplatenkastje
het verborgen flesje ochtendrood
waarmee ik jou, staande naast het bed,
fêteer
Dat dichters van een glaasje houden is gevoegelijk bekend. Maar om nu meteen de héle koelkast leeg te drinken is wel wat erg radicaal. Ik ken ook dichters die enkel de koelkast leegdrinken en daarna niets meer op papier krijgen, maar dit terzijde. De hoofdpersoon in dit gedicht (die niet per se dezelfde als de dichteres Hubers hoeft te zijn) gaat nog een stapje verder. Ze gaat naar ‘het feestje’, en drinkt ook daar de koelkast leeg. Niet naar ‘een feestje’, maar naar ‘het feestje’, hetgeen suggereert dat de schrijfster weet dat er daar en daar een feestje is. En dat zal dan vast een leuker feestje zijn dan zo’n duffe verjaardag, alhoewel een verjaardag per definitie een goede reden is om een koelkast in één keer leeg te drinken. Het gekke is overigens dat de dichteres niet vermeldt wat er zich precies in de bewuste koelkasten bevindt. Flessen witte wijn? Pilsjes? Of wellicht dat laffe Dubbel Friss, waarvan je zó een pak wegdrinkt zonder dat het de dorst weet te lessen.
Maar ze is nog niet bevredigd. Onmiddellijk nadat het feest is verlaten spoedt ze zich naar de nachtwinkel. Een echte nachtwinkel is er eigenlijk niet in de provinciestad Haarlem, en zeker niet in de Kleverparkbuurt, waar Sylvia Hubers woont. Dan zou ze zich naar de in het centrum gelegen Kleine Houtstraat moeten begeven, naar snackbar ‘t Snorretje om precies te zijn. Daar kun je een fles wijn scoren voor een veel te hoge prijs, die dan ook nog eens niet smaakt, zo zal onherroepelijk blijken. Maar de dichteres maakt ze los, zo lezen we in dit vers. Of de geliefde bij deze nachtelijke expeditie aanwezig is blijft nog even in het midden. Overigens is Sylvia Hubers voor zover ik weet een vrolijke drinker. Je zult haar nooit liederlijk dronken door de stad zien zwalken, al laat ze soms wel een stevige boer.
Pas aan het einde van de nacht (wanneer de ochtend weer begint) keert de hoofdpersoon huiswaarts. De almaar terugkerende ochtend. Als je goed tussen de regels leest kan men bevroeden dat de dichteres moeite heeft met het ritme van het leven, en die ochtend die telkens opnieuw begint. Zoals J.C. Bloem een bloedhekel had aan de maand november.
Maar de dichteres heeft de oplossing. Drank. Uit het spaanplaten kastje (IKEA?) neemt ze het verborgen flesje ochtendrood. Ook hier wordt niet vermeld of het om rode wijn dan wel bietensap gaat. Of tomatensap, waarover Patricia Paay nog zo mooi zong in de jaren zestig-hit ‘Je bent niet hip’.
Het gedicht eindigt met een mooi beeld. De hoofdpersoon staat naast het bed. We kunnen aannemen dat de geliefde zich in het bed bevindt. Misschien ontwaakt hij net. Of wellicht was hij in de veronderstelling dat zij al die tijd gewoon naast hem lag, omdat ze immers gewoon huiswaarts was gekeerd, eerder die dag. De dichteres fêteert de geliefde met dat flesje ochtendrood.
We zien haar staan: de reeds geopende fles wordt plechtig boven een glas gehouden en het rode vocht kolkt er in.
Dat is nog eens een leuke manier om wakker te worden.
P.M. Delèfre
Sylvia Hubers, ‘Vandaar dit huwelijksleven’ is verschenen bij Prometheus
ISBN: 9789044615159 | € 15.95 | Paperback
Verkrijgbaar bij o.a. Athenaeum Boekhandel (Ged. Oude Gracht), De Vries Boeken (Ged. Oude Gracht) en Kennemer Boekhandel (Kleverpark)
